We moesten iets doen, 20 jaar na Srebrenica

lessen srebrenicaWe moesten iets doen, ja, we moesten iets doen. Maar hadden we niet iets anders moeten doen? Twintig jaar na de val van Srebrenica en de moord op zevenduizend moslimmannen kwamen de ministers en parlementariërs van weleer bijeen in theater Frascati in Amsterdam, om het debat over te doen. Het ging om een theatraal debat, bedacht door NRC redacteur Mark Kranenburg en geregisseerd door Eric de Vroedt (oa. Nationaal Toneel).

De politici wilden indertijd voorop lopen, constateerde NIOD-directeur Hans Blom op dezelfde avond. Daarbij was de Kamer weinig kritisch naar de regering, en vonden kritische geluiden uit de Landmacht op hun beurt geen gehoor bij de politici. En dan was er ook nog eens dat onmogelijke mandaat voor Dutchbat.

Ik sloot de avond af met een gesproken column, die eerder die dag in verkorte versie in NRC Handelsblad was verschenen. Dit is wat ik zei:

‘In het voorjaar van 2000 kwam ik voor het eerst in Srebrenica. Vijf jaar eerder was de enclave, die geacht werd veilig te zijn, gevallen. Het leek alsof het vorige week was gebeurd.

Kan een landschap schuldig zijn? Wie ooit naar Srebrenica reed, over de enige asfaltweg die naar het stadje leidt, kent het antwoord. In de klaprozen langs de kant van de weg ziet de reiziger het bloed van de moslims, in het gekras van de kraaien boven de velden hoort hij de opgetogen stemmen van de Servische veroveraars, in de wuivende halmen in het gras ziet hij de machteloze internationale gemeenschap.

Ik reed die dag naar Bratunac, waar Mladic zijn commandocentrum leidde. Door naar Potocari, waar Dutchbat was gelegerd in een oude batterijfabriek. Onkruid kroop er schoudershoog tegen de afgebrokkelde fabrieksmuren op, struiken groeiden uit de kapotte ramen. En overal zag ik graffiti van de Dutchbatters die, zo las ik, smachtten naar hun liefje en hun dorp.

Door naar Srebrenica, en ook daar herinnerde alles nog aan die dagen in juli 1995. De gevels zaten vol kogelgaten, het puin lag nog net zo op straat. Eén ding was ingrijpend veranderd; aan de rand van de terrassen waar eens moslims aan hun Turkse koffie nipten, lieten nu ongeletterde Servische boeren hun varkens in de berm wroeten.

We moesten iets doen. Ja. We moesten iets doen. Maar hadden we niet iets anders moeten doen?

Dat is makkelijk praten, zo achteraf, hoor ik u denken. Toch is dat niet helemaal waar. De val van Srebrenica kwam niet geheel onverwacht. Kón niet geheel onverwacht komen.

Terwijl het journaal beelden van graatmagere gevangenen achter prikkeldraad toonde, radiojournalisten reportages aan het front maakten en dagbladjournalisten verslag deden vanuit een belegerd Sarajevo, vergaderde u. In New York, Brussel, Den Haag. In het torentje, op uw ministeries, in uw fractiekamers en in de Tweede Kamer.

U verloor u in procedures. Moest er niet eerst sprake zijn van een interne evenwichtspolitiek? U verloor u in wilde, oh nee, creatieve luchtfietserij. In ideologie en wensdenken. Hadden alle verschillende volkeren onder Tito niet vreedzaam samen geleefd? Nu dan, dan zouden ze het Nederlandse harmoniemodel toch zeker wel begrijpen. En zo niet, dan konden we altijd nog een écht statement maken. Dan haalden we onze ambassadeur terug. Dát zou ze leren.

Geleid door ijdelheid (waar een klein landje nu eindelijk groot in kan zijn) en ja, óók door de oprechte wil om goed te doen besloot u Nederlandse troepen naar Bosnië te sturen. Dutchbat was een feit.

Een bij elkaar gepolderd mandaat kregen ze mee. Militair ingrijpen mocht, maar met mate. Geweld heette ‘het uiterste middel in geval van zelfverdediging’ en mocht alleen worden toegepast ‘indien de taakuitvoering van een VN-eenheid met geweld wordt belemmerd’. Militaire middelen waren te licht en te beperkt. De Bosnische Serviërs zouden er later om lachen: Kijk, daar komt Bart Smit met z’n plastic waterpistolen.

Was u werkelijk zo naïef? Geloofde u oprecht in een schone oorlog? Dacht u inderdaad dat  afspraken zouden worden nageleefd, en procedures uitgevoerd? Of kon u zich eenvoudig niet voorstellen hoe ongelooflijk smerig een oorlog is?

Desalniettemin ging iedereen ging akkoord; ministers, Kamerleden, ja zelfs generaal Couzy.

Zo vertrok Dutchbat naar Srebrenica. En de Dutchbatters? Zij kwamen, zagen en schrokken zich rot. De Serviërs waren groot, machtig, gewelddadig. De Serviërs op hun beurt hadden aan één provocatie genoeg om te weten dat Dutchbat geen gevaar vormde. Geweld moet je met geweld beantwoorden, ‘escalatiedominantie’ zoals Joris Voorhoeve dat tegenwoordig omfloerst noemt, maar die optie kwam in het harmoniemodel van Dutchbat niet voor.

De Bosnische moslims waren ook niet altijd behulpzaam. Srebrenica werd in die dagen geleid door warlords en oorlogsprofiteurs, en de komst van Dutchbat haalde een streepje door hun lucratieve rekening. Op het eerste gezicht kon Dutchbat wel afspraken met hen maken, maar ze hadden je nog niet de rug toegekeerd of ze kwamen hun beloftes niet na.

En zo leidde alles naar de maand juli 1995.

Nu twintig jaar verder, spelen we het debat na. Met de kennis van nu kijken ministers en Kamerleden terug op de verschrikkelijke gebeurtenissen. We weten inmiddels dat er een diepe kloof is tussen hen die de beslissingen nemen, en hen die ze uitvoeren. Het wantrouwen van de beslisser naar de uitvoerder is groot; het wantrouwen van de uitvoerder naar de beslisser honderd keer groter.

Politici laten je vallen als het hen uitkomt. Ze zijn niet principieel, houden zich niet aan hun beloften en hebben geen idee van de situatie ter plekke. Ministers, parlementsleden, beleidsmakers; ze sturen je op pad met te weinig mensen, te slechte spullen en een ontoereikend mandaat. En gaat het mis, dan heb jij het gedaan.

Maak u geen illusies, zó wordt er over u gedacht, en geloof me, ik kan het weten, want ik kom uit een familie van marineofficieren.

Want militairen weten: het kan nog zo mooi worden voorgesteld in de vergaderruimtes van de VN of in de gangen van de Tweede Kamer, een oorlog wordt op de grond uitgevochten. En de mannen en vrouwen daar moeten kúnnen doen wat ze moeten doen.

Daarin dragen zij zelf ook verantwoordelijkheid. En hebben zij een keus – de commandant te velde voorop. Zelfs met een pistool op zijn borst kan hij weigeren het glas te heffen met de vijand.

Wat moeten Nederlandse troepen doen om die Servische tank door het maaiveld tegen te houden, vroeg oud PvdA Kamerlid Gerrit Valk zich zo-even af. Nu, met een beetje gezond verstand kan ik drie opties bedenken: Ze kunnen helpen het maaiveld plat te slaan. Of ze kunnen toekijken hoe de tank de oogst kapot rijdt. Of ze kunnen voor de tank gaan staan.

Laat ik de vraag van de heer Valk parafraseren. Wat moeten de troepen doen om te voorkomen dat bussen met moslimmannen worden afgevoerd? Ik kan drie opties bedenken …

Een halfzacht mandaat en te weinig militaire middelen verklaren veel, en vergoelijken meer – maar niet alles. Bevelen kunnen ook worden geweigerd. Dat zou niet de eerste keer zijn. De militaire geschiedenis zit vol met mannen die weigerden een opdracht uit te voeren. Nog vorige week las ik in NRC Handelsblad over een Israëlische piloot die weigerde een bom af te gooien toen hij in de gaten kreeg wat zijn doelwit was: een school.

Of dichter bij huis, mijn eigen opa. Carl Heinrich Emil Brainich von Brainich-Felt, commandant van een korvet in Nederlands-Indië, weigerde de Indonesische vlag te hijsen, een maand voor de soevereiniteitsoverdracht. Die vlag, zoals hij verklaarde, ‘waaronder zovele Indische vrouwen en kinderen zijn vermoord’. Hij belandde erdoor in de cel, kwam voor de krijgsraad en verloor uiteindelijk zijn baan.

Dat mag in het niet vallen met de gevolgen die Karremans en zijn mannen wellicht onder ogen hadden moeten zien.  Maar wie vreest door vijandelijk vuur om het leven te komen, moet niet het leger ingaan – die moet verzekeringen gaan verkopen, tussen 9 en 5.

Een oorlog is niet schoon en niet voorspelbaar. Dat vraagt om verantwoordelijke, slimme mannen en vrouwen die de moed hebben om op te staan;  tegen de grotere landen in Brussel, tegen de eigen partijdiscipline, tegen opgelegde bevelen. Zulke mensen zijn nodig, want een oorlog is onvoorstelbaar smerig – wat sommige politici en spindoctors ons ook doen geloven.’