Liever geen ritalinexperiment met mijn kind

pippi ritalin

Niet eerder kreeg ik zoveel reacties op een artikel als toen ik over de afweging schreef om mijn dochter al dan niet ritalin te geven.  Er waren mensen die vinden dat ik mijn dochter haar toekomst ontneem als ik haar wel ritalin geef. En mensen die menen dat ik haar toekomst steel als ik haar geen ritalin geef.

Voor beide opvattingen valt iets te zeggen – en daar zit mijn worsteling. En niet alleen die van mij, maar ook die van vele andere ouders. Want die reacties kreeg ik ook, van ouders die zich en hun kinderen maar al te goed herkenden in mijn artikel.

Mijn vriend en onze dochter hebben beiden de diagnose ADD, een concentratiestoornis die sterk verwant is aan ADHD, maar dan zonder de wriemelende hyperactiviteit. Staat ADHD in de volksmond voor Alle Dagen Heel Druk, dan staat ADD voor Alle Dagen Dromen. Voor opdrachten die niet worden begrepen. Voor handelingen die nooit worden afgemaakt. Voor doelen die onderweg steevast uit het oog raken. Voor eindeloos veel zijwegen die worden ingeslagen. Voor gedachten en zinnen die nooit eindigen.

Maar het ‘ritalinexperiment’ pakte voor beiden ongunstig uit. Mijn vriend werd er ziek van, hij wankelde door de gang alsof hij een dronken matroos op volle zee was; onze dochter liep na haar eerste ritalinpil tegen een pallet colaflessen in de supermarkt op. ‘Zo gek mamma’, zei ze, ‘ik wil rechtuit lopen, maar ik ga schuin’. Om vervolgens de bocht te kort te nemen en tussen de lang houdbare melk te belanden.

Lees hier het hele artikel en discussieer mee. Scroll naar het einde voor ‘meningen’ voor mijn reactie.

FRAGMENT UIT: Liever geen ritalinexperiment met mijn kind

Vorig jaar kreeg Y., net als haar vader, de diagnose ADD. Daar ging een lang traject van ontkenning aan vooraf. In groep 2, Y. was toen vijf jaar, zeiden de juffen dat ze te jong voor haar leeftijd was. Daar moesten we wel om lachen. In groep 3 bleef ze zitten. Vonden we ook niet erg. Intussen zagen we op de zwem- en turnles dat Y. altijd achteraan de rij ging staan. Pas later zou ze ons vertellen dat al die instructies een grote soep in haar hoofd vormden, maar dat ze, als ze achteraan ging staan, bij de anderen kon afkijken wat ze moest doen.

In de herhaling van groep drie trok een oplettende meester snel aan de bel. Voor een zittenblijver liep Y. wel erg achter. Ook leek ze vaak niet op te letten en kreeg ze haar werk nooit af. Misschien was het dyslexie. Maar toen Y. vervolgens individuele dyslexiebegeleiding kreeg, was ze binnen de kortste keren de beste van de dyslexieleerlingen.

In groep 5 maakte een lieve juf zich zorgen. ‘Sommige kinderen zijn tevreden in hun eigen luchtballon, maar Y. is ongelukkig’, zei ze. Y., inmiddels 9 jaar oud, begon volgens eigen zeggen te voelen dat ze ‘anders’ was. En Y. wilde alles zijn – behalve anders.

We belandden bij een centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie, verbonden aan een academisch ziekenhuis. Zij stelden na onderzoek ADD vast. En boden in één adem door de oplossing: ritalin. Wij wilden daar eerst over nadenken. Want al was ik nooit een tegenstander van ritalin geweest, AD(H)D is immers een breindeficit dat je kunt verhelpen met medicijnen, nu het om mijn eigen kind ging, lagen de zaken toch anders.